elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afbinden

afbinden , aafbénje , bónj aaf, haet of is aafgebónje , afbinden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afbinden , ofbinden , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. afbinden Een baispeen van een jongbeist ofbinden (Row), Wie mouten de worsten nog ofbinden (Erf) 2. afbinden voor het castreren en ook: castreren Wie hebben dei ram ofbonden (Eco), Mit een kullenstrup de aolde ramme ofbinden (Nsch) 3. riet van boven naar beneden van het dak afhalen. Wat nog goed was werd opgebonden en opnieuw gebruikt Bij het ofbinden van reit deej der ok vaak een strozieltien um toe (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afbinden , ofbienen , werkwoord , afbinden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afbinden , ofbinge , werkwoord , bing of, bong of, ofgebonge , afbinden
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
afbinden , [binden] , aafbinje , in de oogsttijd schoven binden, zie ook aafbinjele
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
afbinden , afbèène , sterk werkwoord , afbèène - bond aaf - afgebónde , WBD castreren, ook 'lubbe', 'snije' of 'afknèèpe' genoemd; Frans Verbunt: laatste hand leggen aan een gebonden saus of soep; Van Rijen (1998): afbinden; – met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bènt aaf; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFWIJNEN - afbinden
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal