elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afbloeien

afbloeien , ofbluien , het einde van het bloeien van oliezaden, inzonderheid van raapzaad; de kool is mooi ofbluid = het raapzaad heeft lang gebloeid, zoodat de hauw zich goed kon ontwikkelen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afbloeien , afbloeien , (in geschrifte) – ofbloien = het einde van het bloeien. Zie onder art. tweiriepig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afbloeien , ofbluuien , werkwoord , uitbloeien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal