elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afdokteren

afdokteren , afdocteren , beduidt hier door geneeskundige hulp of medecijnen eene kwaal te doen ophouden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
afdokteren , ofdokteren , dokteren of, of edokterd, , (vaak) naar de dokter gaan; * hi hef d’r wat of edokterd: hij is vaak naar de dokter geweest.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afdokteren , ofdokteren , werkwoord , heel veel een arts bezoeken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal