elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: affronteren

affronteren , afgrontéren , Affronteeren.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
affronteren , afgronteeren , afgrontieeren , Affronteeren.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
affronteren , afrónteiere , afrónteierde, haet of is geafrónteiert , beledigen, kwetsen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
affronteren , affronteren , affronteren, affronteerd , kwetsen, beledigen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
affronteren , offronteren , affronteren, affrontaaiern, ofgronteren , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe). Ook affronteren (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe), affrontaaiern (Veenkoloniën), ofgronteren (wh) = beledigen, voor het hoofd stoten Hoe kuj dat aole mens zo offronteren (Oos), Wij moet der hen, we kunt ze niet affronteren (Bal), Hai offrontaaiert mie (Eco), z. ook verofgronderen, veroffronteren
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
affronteren , offronteern , voor het hoofd stoten. Hie is gluujndeg helleg, iej heb ’m ok zo offronteerd.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
affronteren , affronteren , werkwoord , 1. vernederen, beledigen, kwetsend raken 2. zich verstaan met, confronteren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
affronteren , affrontere , werkwoord , affronteerde, geaffronteerd , hoofd , (tegen het hoofd stoten) VB: Ich hoëp dat ich uch mêt dis vraog neet affronteer.; stoten (voor het hoofd stoten) affrontere (fr. 'affronter') VB: Es te neet kuüningên wêls zién daan affronteers t'm
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
affronteren , affrontêêre , beledigen.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
affronteren , affronteren , beledigen (Oldebroek, Wezep).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
affronteren , affronteere , zwak werkwoord , beledigen; uit Franse ‘affronter’; Cees Robben – Ik wil oe niet affronteere meneer... (19640124); De Wijs  – Ik wil oe nie affronteere mar hij zaat gewôôn zat te zèn. (23-10-1963); zie affrontig, geaffronteerd, veraffronteere; geaffronteerd; van ‘affronteere’ – uit Franse ‘affronter’, beledigen; beledigd; Cees Robben - ... zeej [zei hij] geaffronteerd. (19601230)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal