elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afgaand

afgaand , òfgaon , (sterk werkwoord) , afloopen; ’t is afgaond werk.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
afgaand , ofgoand , bijvoeglijk naamwoord , verlopen, minder wordend
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
afgaand , aafgaont , afgaand. Et is aafgaont waer: de vorst blijft niet aanhouden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afgaand , ofgaond , bijvoeglijk naamwoord , afgaand, teruggaand Hie hef een ofgaond gebrek gaat langzaam achteruit (Sle), De maone ontzit; het is ofgaonde maone afnemend (Wsv), Dat is door een ofgaonde zaok (Eev), Hij is ofgaonde stervende (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afgaand , ofgaond , bijvoeglijk naamwoord , 1. aflopend, verminderend 2. aftredend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afgaand , [afgaand] , aafgaondj , afgaand , Aafgaondj op dien wuuerd mót ich dich toch waal geliek gaeve.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal