elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afgebrand

afgebrand , afgebrand , noemt men hier iemand die, door het verbranden van zijn huis, zijn goed verloren heeft.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
afgebrand , ofbraand , bijvoeglijk naamwoord , tot de grond verbrand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afgebrand , aafgebördj , bijvoeglijk naamwoord , afgedaan, berooid, uitgeput
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal