elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afhoren

afhoren , ofheuren , (klemtoon op: heu) = ten einde toe hooren. Zie: ofrekken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afhoren , afheure , afluisteren Stiekem hai ik ons vaoder afgeheurd. Stiekem had ik vader afgeluisterd; overhoren De k√°ttegissemus afheure. De kathechismus overhoren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
afhoren , ofheuren , werkwoord , afhoren: uithoren, ondervragen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal