elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afjacht

afjacht , [bits antwoord] , afjacht , Kwaad, onheusch, onvriendelijk, verkeerd, onbeleefd, dwarsch antwoord of bescheid: ‘Iemand afjacht geven,’ iemand plomp, grof afwijzen; niet heusch ontvangen of bejegenen; hem over den neus hakken en hem den lust benemen om zijn verzoek, aanzoek of bezoek te herhalen; hem norsch en bits afzeggen en voorbij wijzen. Jacht, (af) jacht is met achtergevoegde t van jagen en vormt weêr het werkwoord jachten; even zoo komt van slagen – saamgetrokken slaan – slacht, waarvan slachten, over welke woorden Dr. te Winkel handelde in zijn Magazijn, II. 51
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
afjacht , åfjach , åfjacht , åfjacht giieven: afsnauwen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
afjacht , ofjach , ofjach geewn, laten voelen niet welkom te zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
afjacht , ofjacht , zelfstandig naamwoord de , Afjacht, ruwe bejegening, pak slaag. Vgl. Fries ôfjacht. Zegswijze ofjacht kroige, weggejaagd, afgesnauwd worden. – Ientje ofjacht geve, iemand wegjagen, afsnauwen. Vgl. Van Dale: iemand een afjacht geven.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afjacht , ofjacht , ofjaacht, ofjach, ofjak, ofjakkerd , de , Ook ofjaacht (Midden-Drenthe), ofjach (Zuidoost-Drents zandgebied), ofjak (Zuidoost-Drents veengebied), ofjakkerd (Zuidoost-Drents zandgebied) = stevige berisping Hie har hum bij de appels zeten en hie kreeg toch een ofjacht (Sle), ...ofjakkerd (Sti), ...ofjak (Bco), Hie kreeg mij daor een ofjaacht van zien moetje; het was ok wel neudig (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afjacht , òfjacht geven , een pak ransel geven
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
afjacht , ofjach , pak slaag. Die vente zittn oe in de appelboom, iej muttn ze goed ofjach geevm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
afjacht , ofjacht , bijvoeglijk naamwoord , in ofjacht op erop uit om, ook: tuk op
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afjacht , ofjacht , (zelfstandig naamwoord) , in: ofjacht gèven ‘afjacht, nors of bits antwoord geven’. IJ ef em toch ofjacht egöven!
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afjacht , ofjach , ofjacht , 1. ruwe bejegening; 2. berisping, schrobbering, standje.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal