elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afkauwen

afkauwen , afkauwen , (ofkauwǝ) , (zwak werkwoord, intransitief) , Afbrokkelen, aan pappige stukken uiteenvallen. || ’t Ben slechte kurken tegenswoordig, telkens heb-je der, die ofkauwen (afbrokkelen als men ze van de fles trekt). Toe ik die papieren van mekaar wou halen, kauwden ze helegaar of, zo waren ze vergaan van de nattigheid. – Vgl. Ned. uitkauwen dat naast uitkalven voorkomt in de zin van afbrokkelen, afzakken van de kant van land, van kalk aan de muur, enz., DE JAGER, Freq. 2, 210. Over afkalven in diezelfde zin zie men Ned. Wdb. I, 1039. Vgl. ook kalf II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
afkauwen , ofkauwen , werkwoord , 1. door kauwen opmaken of minder doen zijn 2. heel veel kauwen 3. heel veel praten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal