elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afkrijgen

afkrijgen , ofkriegen , (=afkrijgen), van het hoofdhaar gezegd; ik heb’t hoar ofkregen en mag nijt in de kolle loopen = ik heb het haar laten knippen en moet mij te huis houden; de arbaiders hebben de garst ofkregen = het zichten der gerst, ook: het dorschen er van is afgedaan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afkrijgen , ofkregen , [afgekregen]: heij’ hoar ofkregen = is uw haar geknipt?
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
afkrijgen , ofkrieng , kreeg of, of ekreeng , afkrijgen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afkrijgen , ofkriegen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. afkrijgen, gereed krijgen Ik kan het niet ofkriegen veur donderdag (Hol) 2. eraf krijgen Ie mut zien, daj wat van de pries ofkriegt (Hgv), Ik kan de varve niet van de arms ofkriegen verwijderen (Hijk) 3. meekrijgen Van die hagelbuj heb wij hier niks ofkregen (Pdh) 4. afnemen Van die bulte eerappels maj gerust wel een maoltien ofkriegen (Ker)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afkrijgen , ofkriegn , 1. afmaken / klaar krijgen. Zolle wie ’t wârk op tied ofkriegn? Deur gebrek an volk konne wie de oogs niet tiedeg van ’t land ofkriegn. 2. afscheuren. Ik kan de poszegel der niet ofkriegn. 3. afkrijgen. Zie konn de grote pârse niet van de vrachwaagn ofkriegn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
afkrijgen , ofkriegen , werkwoord , 1. nemen, pakken: van iets dat op een bep. hoogte staat of ligt 2. aannemen van iets dat iemand in handen heeft, aanreikt e.d. 3. afpakken, ontnemen 4. klaarkrijgen 5. in mindering krijgen, minder hoeven te betalen 6. geknipt worden door een kapper
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afkrijgen , aofkriége , werkwoord , bedienen , (zich bedienen) zich aofkriége (zie'krijgen') VB: Kriég dich aof, v'r hebbe voül-op.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
afkrijgen , [van een hoogte afnemen; klaarkrijgen] , ofkriegen , (werkwoord) , afkrijgen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afkrijgen , aafkriege , werkwoord , kriegtj aâf/aaf, kreeg aâf/aaf, aafgekrege , 1. afkrijgen (bijv. het werk) 2. door de keel krijgen; die pille krieg ich neet aâf – die pillen krijg ik niet door mijn keel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal