elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aflossen

aflossen , oflössen , lössen of, of elöst , aflossen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aflossen , oflössen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. iemand aflossen Wij hebt al een paor nachten waakt, wij moet mekaar maor wat oflössen (Bor) 2. geld of schulden aflossen Ie mut oen schuld oflössen (Zdw) 3. met mechanische middelen verlossen (Midden-Drenthe) De veearts hef het kalf er in stukken oflöst (Dro), z. ook ofleden, ofvördeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aflossen , oflossen , werkwoord , aflossen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aflossen , [vervangen; voldoen] , oflössen , (werkwoord) , aflossen. Zie ook: inlössen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal