elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afnokken

afnokken , afnokke , vertrekken Dan zuwwe nou mar wér ’s afnokke Dan zullen we maar weer eens vertrekken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
afnokken , ofnokke , werkwoord , 1. Vertrekken. 2. Ophoepelen. Vgl. Engels to knock of.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afnokken , ofnokken , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. weggaan, opdonderen Het is beddegestied, wij moet mar ofnokken (Wsv), Ik was bliede dat die kerels ofnokten, ze wörden knap vervelend (Bro), z. ook opnokken 2. naar bed gaan (Zuidwest-Drenthe, zuid) Zulle wij ofnokken? (Flu) 3. op een grove manier afwijzen (Gas) 4. ofpakken (Zuidwest-Drenthe, zuid) Van wie hej die knikkers weer of enokt (Zdw), z. ook ofnaodern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afnokken , ofnokken , werkwoord , afnokken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afnokken , afnokken , stoppen met werken; Engels: to knock off
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal