elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afredden

afredden , ofredden , hij het ’r goud ofred = hij heeft zich er goed uitgered, hij is er goed afgekomen, ’t is nog goed voor hem afgeloopen; hij het ’t leven d’r ofred = dat ongeluk had hem bijna het leven gekost. Synoniem met: ofbrengen 2; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afredden , ofredde , werkwoord , Afruimen. Vgl. Fries ôfrêdde. | Ik zel effies de tafel ofredde. Zegswijze z’n oigen ofredde, zich ergens uitredden of van afmaken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afredden , ofredden , ofredderen , werkwoord , 1. opruimen, schoonmaken 2. hetz. als oflochten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal