elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: alliantie

alliantie , alliaansie , alliaantie, alliantie, alliansie , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook alliaantie, alliantie (Kop van Drenthe), alliansie (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. vriendschap, omgang, (begin van) verkering Ze hebt alliaansie met mekaor ze zijn bevriend (Hgv), Daor hebbe wij gien alliaansie met, dat volk lig oos neet (Bei), Hij hef wat alliaantie mit Jaantie van de buren (Die), Zo lang as wij heur kenden en er met in alliaansie waren (N:tu) 2. bekenden (Midden-Drenthe) Wat hebt die mensken een alliaantie (Anl) 3. verbintenis, band Ze boeren in alliaansie in gemeenschap, gezamenlijk (Schl), In alliaansie mit zien breur hef hij zudden steuken veur de winter (Dwi), Die beiden, dat is ien alliaansie (Hgv), Hij steet in alliaantie met zien zwaoger (Bei), Twei zaoken dei ain alliaantie aangaon hebben (Twe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
alliantie , alliaansie , zelfstandig naamwoord , de 1. omgang 2. het met anderen betrokken zijn bij en verantwoordelijk zijn voor iets, een zekere verbondenheid, verbond 3. aanstellerij 4. aanraking
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal