elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: amateur

amateur , ammeteur , zelfstandig naamwoord , de; amateur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
amateur , amatëur , zelfstandig naamwoord mannelijk , amatëurs , amatëurke , amateur , VB: De môs dich van mich mer neet te vëul vuursjtelle, ich been mer 'nnen amatëur
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
amateur , ammeteur , (zelfstandig naamwoord) , amateur.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
amateur , ammetäör , (mannelijk) , ammetäörs , amateur
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal