elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: amper

amper , amper , Naulyks.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
amper , amper , voor naauwelijks, ter naauwer nood. In onze taal beteekende het onrijp, zuur, scherp. Ook in deze laatste beteekenis wordt het hier gebruikt. Mede hoo
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
amper , empel , ampel , empel (Westerwolde) = ampel (Hunsegoo) = enkel, alleen: hij komt empel om heur. Vgl. ten Doornk. art. empelt, empeld = eenvoudig, enkel, zelden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
amper  , amper , ternauwernood.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
amper , amper , aamper, aaperties, amperies , Ook aamper (Zuidwest-Drenthe, wb), aamperties (wb), amperies (Midden-Drenthe) = 1. nauwelijks, nog maar net Daor zuw wel aamper genog an hebben (Koe), Hie is amper èerlijk (Sle), Het vrus amper (Emm), Hie kon het mar amper rekken hij kon er nauwelijks bij (And), Het is maor amper vertrouwd, zo allein bij aovend bij ’t pad (Vri) 2. bijna, nog niet helemaal Dat meisje was nog maar amper 14 jaor of het leup al achter de jongens an (Eri), Hij had het nog mar aamper ezegd, of daor haj het gedonder al (Flu), ’t Eten is nog amper klaor nog niet helemaal klaar (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
amper , amper , aamper, aamper- , bijwoord , amper, nauwelijks, ternauwernood
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
amper , aamper , bijwoord , amper , aamper VB: 'r Wäor aamper ién of 't begôs te rëngele dat 't zêkde.; ternauwernood aamper VB: V'r wäore aamper begôs mêt waandele of 't begôs te rëngele.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
amper , aamper , bijvoeglijk naamwoord , lichtzuur , aamper (mnl. 'amper': scherp, zuur, wrang, bitter) VB: Dy kiés sjmak e bitteke aamper, lekker
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
amper , ââmper , amper.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
amper , aamper , nauwelijks , Ik zij nog mar aamper klaor
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
amper , âmper , bijvoeglijk naamwoord , ranzig (van boter)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
amper , âmper , bijwoord , amper, nauwelijks
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
amper , aamper , bijwoord , amper, nauwelijks; Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): aamper; R.J. 'nog mar aamper zistien jaoren'; WNT AMPER bijw. Ternauwernood, nauwelijks. In Noord-Ned. en Vlaams-België algemeen gebruikelijk. bij uitbreiding: nauwelijks, pas .Etymologie: Komt op germ. gebied alleen in onze taal voor. Zou dus ontleend kunnen zijn aan Maleis 'ampir' = dicht bij, bijna. Z.a.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal