elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: amper aan

amper aan , amperan , amper, nauwelijks, ternauwernood; bijna; hij ken amperan van zien intresten leven = – amper van zijne renten leven; ’t is amperan twalf uur. Zeeland amper = nauwelijks; Noord-Brabant aamper = bijna; Scheveningen = ternauwernood.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
amper aan , [nauwelijks] , amperan , (bijwoord) , Nauwelijks, ’t Is amperan dr(i)ee pond. Dr(i)ee pond iste(r) moar amperan.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
amper aan , åmper ån , zelden, bijna nooit; het koomp åmper ån niet meer vüür
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
amper aan , aampr an , bijwoord , nauwelijks
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
amper aan , amperan , nog maar net.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
amper aan , amperan , nauwelijks, nog maar net.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
amper aan , amperan , ampelan, aampram , Ook ampelan (Zuidwest-Drenthe, zuid), aampram (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bijna niet, ternauwernood, nog maar net Het is nog mor amperan daon (Sle), Amperan stunnen de eerpels op ’t gas of ij kunden ze van verren al ruken: der was nooit waoter in de pan kommen (Eex), Dei lop er wat roeg bij, hij is maor amperan schier (Vri), Jonggie, probeer niet de börden op de taofel te zetten, ie kunt ja aamperan op de taofel kieken (Bro), Hij hef amperan dreug brood hij heeft bijna geen eten (Bco), Het is mor amperaan met hum het gaat hem niet al te goed (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
amper aan , amperan , anperan , nauwelijks. Ook: anperan
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
amper aan , amperan , 1.bijna niet. Hie hef ’m maer amperan erâk. 2. amper, bijna. Zo’n jonge snuiter van zo amperan twinteg jaor.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
amper aan , amperan , aamperan, amperham, ampram, ampran , bijwoord , maar net, ternauwernood
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
amper aan , amperan , (bijwoord) , amper, nauwelijks.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
amper aan , [nauwelijks] , amperan , schamperan , amper, nauwelijks.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
amper aan , aamperaon , bijwoord , amper, maar nauwelijks; sterker dan 'aamper'; - Mar aamperaon twee daoge laoter... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Waor et heurde was et nie‘)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal