elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: apenhaar

apenhaar , ape-aor , (Kampereiland) spichtig gras
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
apenhaar , aepehaor , zelfstandig naamwoord , et 1. haar (als) van een aap 2. fijn of bep. taai gras 3. bep. zware tabak: Javaanse jongens
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
apenhaar , [haar van een aap; tabak] , apenöör , (zelfstandig naamwoord) , 1. apenhaar; 2. shag, fijne tabak.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
apenhaar , apehaor , zware shag.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
apenhaar , apehaor , (meervoud) haren, stugge
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal