elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: apennoot

apennoot , aapenoot , vrouwelijk , aapeneut , aapeneutje , apenoot of pinda.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
apennoot , apeneut , de , pinda Wel haalt even een puut apeneuten? (Zwin), Dei doppen van de apeneuten geeft zo’n barg rommel (Bov), (fig.) Ie bint maor ’n aepeneute stelt nog niet veel voor (Dwi), zie ook grondneut
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
apennoot , apenötte , pinda. De apenöttn bint slof.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
apennoot , aepeneute , zelfstandig naamwoord , de; pinda
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal