elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bandenschort

bandenschort , baneschölk , baandschölk, baandschulk , zelfstandig naamwoord , en var. de; schort (voor een vrouw) die alleen voor de schoot langs gaat terwijl de stof naar achteren doorloopt, i.t.t. een halve schölk die geen zijkanten heeft; hetz. als middelschölk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal