elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bandijzer

bandijzer , baandiezer , het , bandijzer Wij hebt een neie zwienebak, mor der mot nog een baandiezer op (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bandijzer , baandiezer , zelfstandig naamwoord , et; bandijzer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bandijzer , [bandijzer] , bandjiezer , (onzijdig) , bandijzer , Vreuger zaat ei bandjiezer óm ’t kerreraad of óm eine gebooste klómp.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal