elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bat

bat , bat , batte , (meervoud batten, en: battens) = smal, horizontaal, vast bruggetje zonder leuning over eene wiek (zie aldaar) voor voetgangers en rijtuigen, in de Veenkoloniën. Is zij draaibaar dan heet zij draibat, in geschrifte draaibat. – Eene andere soort zijn lösse batten, welke de landbouwers over slooten leggen ten einde een’ omweg te vermijden om met paard en wagen op het land te komen; tilbat = batterei (Westerkwartier) = een van leuningen voorziene brug over een tocht (afwateringskanaaltje), of over een moar (vaart); koubat (Weil. koebrug) = bruggetje waarover koeien, enz. in een schip (kouschip) worden geleid, en die ook dienst kan doen voor schaatsenrijders om van den wal op het ijs te komen; in dat geval zijn er latjes dwars overheen gespijkerd. Oostfriesch batte; battens, zekere stukken hout. In advertenties worden zij gewoonlijk in een’ adem genoemd met ellens, kolders en juffers.
batje kleine of smalle soort van zoldering om er iets op te kunnen zetten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bat , bat* , hiervan Batjeburg of -börg (in geschrifte: Baatjeborg of Batenborg), een buitenplaats nabij Winsum.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bat , badde , brug
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bat , bat , onzijdig , batter , bėtje , beekoever.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bat , bat , mannelijk , wedstrijd.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bat , bat , batte, badde , batten , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied). Ook batte (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Veenkoloniën), badde (Veenkoloniën) = 1. bruggetje, soms los en wegneembaar, maar ook gezegd van een vast bruggetje Een batte is bij oons een lösse brogge over een wieke miest twiedielig die op lösse paolen of balken lig en waor aj mit peerd en waegen over kunden. As er een bok of praem deur mot, kan hij der oflegd worden (Smi), Het schip mus deur de batte (Schn), Der lig een batte over de wieke losse post op het water (Klv), Over de sloot lig een battentje (Eco) 2. vonder over de koegroep (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Kou wil kaalven, ik heb ʼt battie der maor aachter legd, veurdat ʼt kaalf mij in de group komp (Vri) 3. leuning van een vonder (Bor) 4. aanlegsteiger (Kop van Drenthe) Het Somberse bat aanlegsteiger in de Roder vaart (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bat , batte , bette , zelfstandig naamwoord , de 1. los houten bruggetje over de mestgoot, over een greppel e.d. 2. houten brug vaak zonder leuning over een brede sloot of rivier 3. houten oploop naar bijv. de laadruimte van een vrachtauto of naar een boot 4. klepdeur 5. losse bodem van een wagen 6. schot waarmee men water of mest tegenhoudt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bat , bat , (onzijdig) , dam in beek of rivier; klein haventje , Op zóndigmörge kóns se nao ’t Bat in Luuk.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal