elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bazin

bazin , [leidster, hoofd van iets] , bazin , bazinne , voor meesteres, de vrouw van het huis. Meer in het bijzonder gebruikt men het van eene herbergierster, vooral indien dezelve geen man heeft. De dienst
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bazin , boazinne , vrouw die er wezen durft, die de broek aanheeft. Zie: boasachtig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bazin , baozinne , zelfstandig naamwoord , de; bazin, meesteres
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bazin , baozin , zelfstandig naamwoord , bazin; WBD III.3.1:35 'bazin' = boerin, ook 'vrouw'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal