elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bederf

bederf , [ontbinding] , bedeurf , Bederf.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
bederf , bedoarf , zelfstandig naamwoord, onzijdig , bederf
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bederf , bedarf , het , Var. als bij bedarven = bederf Dat heui lig al op bedarf rot weg (Bco), In de hondsdaegen is eterije gauw an bedaarf toe (Die) *Draank is een bedarf in aandermans lichaam (Bor); Een groteleu meid en een moes is een bedarf in een aarbeiders hoes (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bederf , bedarf , bedaarf , zelfstandig naamwoord , et 1. bederf, verrotting 2. iets dat de anderen, het andere, de omgeving, daar waar het in zit aantast, slechter doet worden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal