elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bedoen

bedoen , [verrichten, bevuilen] , bedôn , (werkwoord) , zik bedôn , zich bevuilen, zik bedôn van lachen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bedoen , bedoen , (transitief werkwoord) , Alleen in de inf. – 1) Afdoen, verrichten, met het bijdenkbeeld, dat het werk over de hand loopt. || Zo’n drok huishouden en dan alles alleen bedoen moeten, dat valt niet toe. – Meest in de uitdr. het niet bedoen kunnen, het werk niet af kunnen. || Gaan effen helpen in de winkel, anders ken vader ’et niet bedoen. Drie tegelijk, dat ken ik niet bedoen. 2) Hem bedoen kunnen, zich kunnen redden, voor zichzelf kunnen zorgen. B.v. te Zaandijk nog bekend. || Hij verdient wel niet veul, maar i ken ’em toch bedoen. || Soo heb ick vorgestelt, dat men de keinderen souden houwen ende daer vor opbrengen, kleden en reeden tot daer tiet (tot der tijd) toe, dat sy haer konnen bedoen, Hs. (Oostzaanden, a° 1673), prov. archief. 3) Iemand niet bedoen kunnen, iemand niet kunnen goeddoen, tevreden stellen. || Je ken jou toch ok nooit bedoen; je zegge dat je zoveul van gort houwe (houdt) en as ik ze geef, dan eet je der niet van.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bedoen  , bedoon , bedoon, beduis, beduit, bedej, bedaon , zich bedoon, zich bevuilen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bedoen , bedoen , werkwoord , in de zegswijze ’t niet bedoen kenne, het niet afkunnen. – Z’n oigen bedoen kenne, zichzelf kunnen redden of bedruipen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bedoen , bedoon , bedouch, haet bedaon , zich bevuilen. Me zou zich dervan bedoon: je zou er wat van krijgen. Noe bedeiste dich: uitroep van verbazing.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bedoen , bedoen , werkwoord , zich bevuilen van schrik (KRS: Bunn) In een andere betekenis (namelijk in de uitdrukking je zou je bedoen : ‘’t Is toch wel verwonderlijk, wel erg!’) ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 35).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bedoen , bedoon , bevuilen (in de broek doen).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bedoen , bedoen , bedeud, bedoane , zich bedoen: zich bevuilen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bedoen , bedoen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. bevuilen Hie hef mij de hiele zaak bedaon ondergespuwd (Sle) 2. (wederk.) zich bevuilen Hij har zuk van onder tot boven bedaon (Nsch), Oh, schei uut, ik bedoe mij van het lachen ik doe het in de broek (Bro) 3. met je doen In het ziekenhuus hej kaans dat ze oe van alle kaanten beklopt en bedoet (Uff)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bedoen , bedoen , bevuilen. Hie bedut ’m van angs.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bedoen , bedoen , werkwoord , 1. zich bevuilen met z’n uitwerpselen 2. voortdurend aan het doen zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bedoen , bedoén , werkwoord , dik , (zich dik maken over) zich bedoén (zie 'doén') VB: Bedoég dich neet uüver zoe 'n sjtommighèid, menneke.; bedoén bescheuren (zich bescheuren) zich bedoén (zie 'doén'); broek (in de broek doen) zich bedoén (zie 'doén') VB: Ich bedoon mich van 't laachte.; zich bedoén bescheuren zich bedoén zich bescheuren
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bedoen , [zich bevuilen] , bedoen , (werkwoord) , (em/zich bedoen), zich bevuilen, beschijten. Zie ook: bedrieten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bedoen , bedoen , zich bedoen, zich bevuilen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bedoen , bedoon , zich bedoon, 1. heel erg lachen 2. zich ergens druk over maken , Zich bedoon van ’t lache.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bedoen , bedoôn , bedoôn, bedoon, zich , werkwoord , beduit, bedeej, bedaôn/bedaon , overdreven reageren, zich aanstellen; bedoot dich get! bedoot dich neêt! – stel je niet aan!; hae bedeej zich anges – hij ging behoorlijk tekeer zie ook zich besjiete, zich opdoôn
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bedoen , bedoon , werkwoord , W: bedeut/bedutj, bedieëj, bedaon , zich -, aanstellen, zich , aanstellen, zich
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bedoen , bedoen , sterk werkwoord , Van Rijen (1998): aandoen, veroorzaken
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal