elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bedragen

bedragen , bedragen , beteekende in de oude taal beschuldigen, in welke beteekenis het ook voorkomt in de afschriften voor de stad Breda der Blijde inkomste van Carel en Philips als hertogen van Braband alwaar men leest: “Item dat men niemanden bedragen en sal nogh bedragen mogen quetsueren, nogh van doodslagen enz.” Men vindt het ook in de Handvesten van Alkmaar, 75, Placaatb. van Braband, 1. D. bladz. 132, art. 21, MIERIS, Gr. Charterb. 1. D. bladz. 453, 511. Bedrag, voor beschuldiging, zie bij denzelven MIERIS, 2, bladz. 17; en in die beteekenis komt het ook in dezelfde inkomste voor. Zoo was barte, baeren (dragen) in ’t oude Friesch iemand geregtelijk aanklagen; waarvan misschien baarregt, zie VAN WICHT, Ostfr. Landr., L. 1. c. 122.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
bedragen , bedroagen , wat reeds veel gedragen is en daarvan de sporen vertoont; ’t let zōk goud bedroagen = de stof wordt onder het gebruik niet leelijk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bedragen , bedreang , werkwoord , belopen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bedragen , bedragen , bijvoeglijk naamwoord , Var. als bij dragen = veel gedragen, versleten Die jas is slim bedraogen, die kuj niet meer an een aander geven (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bedragen , bedregen , werkwoord , 1. door gebruik en het ouder worden slijten, dunner worden 2. een geldsbedrag zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bedragen , bedraege , werkwoord , bedraeg, bedroog, bedraege , bedragen De hêêle schae bedroog maor een tientjie De gehele schade bedroeg maar een tientje
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bedragen , bedräoge , werkwoord , bedreug, bedräoge , bedragen
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal