elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bedsteeplank

bedsteeplank , bedsteeplaanke , zelfstandig naamwoord , de 1. beddenplank: vaste plank in een bedstee, om iets op te zetten 2. losse plank aan de voorkant van een bedstee, die het beddengoed op z’n plaats houdt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bedsteeplank , bessteeplank , zelfstandig naamwoord , bessteeplanke , bessteeplankie , verticale, uitneembare plank die het bed aan de voorkant afsloot; Daster êên van de bessteeplank Kind dat 9 maanden na het huwelijk van de ouders wordt geboren
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal