elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beduisteren

beduisteren , beduustern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. aan duisternis wennen (Zuidwest-Drenthe) Aj bij het locht wegkoomt, moej erst wat beduustern (Wsv), zie ook bedonkern 2. overvallen worden door invallende duisternis (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij hebt ons wat beduusterd (Hgv), Ik had mij verlaat en toen was ik beduusterd (Pdh), Hie beduustert er nog bij (Noo), Doe het locht toch op, meinsen, ie beduustert jao helemaole tegen mensen, die zitten te schemeren (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beduisteren , beduusteren , werkwoord , 1. door het later worden in het duister, donker nog bezig zijn, vaak: zodat men moet ophouden 2. in Dan bi’j’ eerst wel beduusterd dan kun je eerst niet verder 3. in d’r beduusterd van wezen beduusd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal