elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beentje

beentje , bientjen , men zegt: Wi zölt di ook is bíj ’t bientjen kriegen! Wij zullen u ook eens onder handen nemen!
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
beentje , [fluitje] , beentjen , (onzijdig) , fluitje om kwartels te vangen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
beentje , bientje , zelfstandig naamwoord ’t , Beentje, voetje, graatje. Zegswijze ’n bientje in ’t neuske hewwe, nuffig, verwaand, zelfverzekerd zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
beentje , bientien , zelfstandig naamwoord , et; beentje: klein been
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal