elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: begaafd

begaafd , begaaf , begaafder, begaafste , begaafd.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
begaafd , begaofd , begaafd , (weinig gebr.). Ook begaafd (soms naast begaofd) = begaafd Die meinsen hadden allemaol begaafde kinder (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
begaafd , begaofd , bijvoeglijk naamwoord , 1. talentvol 2. door geboorte voorzien van een bep. eigenschap
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
begaafd , begaof , bijvoeglijk naamwoord , begaofder, begaofste , begaafd , VB: Wat ês dat mèitske muzikaal begaof, mêt twie jaor sjpëulden 't al piano.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
begaafd , begaofd , bijvoeglijk naamwoord , begaafd; Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'begaofdheid'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal