elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: begaan

begaan , [te voet gaan] , begaan , voor te voet gaan bereiken; bijv. eene plaats in eene uur tijds begaan.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
begaan , begaan , Begaan zijn met iemand of met de omstandigheden van iemand is hier niet van algemeen gebruik.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
begaan , begoan , (= begaan), in: ’k zel die deugnijt begoan! = deugniet, ’k zal u afrossen! de katte het hōm goud begoan = zij heeft (bv.) van de worst een goed deel opgegeten. (Vgl. betrekken.); is nijt veul eer an te begoan = niet veel eer af te halen, bv. door iets te poetsen of op te knappen dat er toch onooglijk blijft uitzien; ’n ongeluk begoan = een ongeluk houden. Middel-Nederlandsch begaen = behandelen, in een toestand brengen. (Verdam art. begaen, vgl. ook art. begaden.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
begaan , begaan , (sterk werkwoord) , Zie de wdbb. – Om iets begaan zijn, er behoefte aan hebben, er om verlegen zijn. || Ik ben om ’en mes begaan; ken-jij er me soms an helpen? Zo’n haast heb ’et niet: ik ben er niet om begaan (ben er niet dadelijk om verlegen). Dat ding ken-je wel houwe van mijn part; ik ben er niks om begaan. – De uitdr. is bij de 17de-eeuwse schrijvers zeer gebruikelijk, doch is thans in de algem. taal verouderd; zie Ned. Wdb. II, 1360.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
begaan , begaan , werkwoord , Ook: inhalen, te pakken krijgen. | Ik kon ’m nag net begaan. Zegswijze er om begaan weze, er om verlegen zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
begaan , begoan , begung, begoane , begaan.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
begaan , begaon , bijvoeglijk naamwoord , in begaon wezen met medelijden hebben met Hie was begaon met die kinder, die in eein klap heur olders kwiet wadden (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
begaan , begaon , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. begaan Hij hef een moord begaone (Dwi) 2. betreden Die weg is neeit te begaon (Eex) 3. toetakelen Zie hebt mekaor zo begaon, de dokter mus er an te pas kommen (Bor), Hie hef hum flink begaon behoorlijk aangepakt, bijv. flink wat noten uit de rij geschoten of: de boom behoorlijk ingesnoeid (Sle) 4. zijn gang gaan Laot hum mor stil begaon, hij is zo mooi an het speulen (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
begaan , begaon , ik begao / begunge; hie begiet / begunk; zie begaot / begungn; ik heb begaon , begaan.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
begaan , begaon , werkwoord , 1. lopen op 2. zijn gang laten gaan, In bijv. Laot him mar begaon 3. doen met, t.a.v. iemand 4. verkeerd doen, zich laten gaan in foutief optreden, in gewelddadig optreden, zich vergrijpen 5. zich ongelukkigerwijs verwonden of een ander ongemak toebrengen 6. zelfmoord plegen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
begaan , begaon , bijvoeglijk naamwoord , in begaon wezen mit iene begaan zijn met, medelijden hebben met, meeleven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
begaan , begoën , werkwoord , begaan , (zie: 'gaan') VB: Ién plaots van 'laot 'm mer begoën kêns te oüch zegke: 'laot 'm mer gewërde'.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
begaan , begaon , (werkwoord) , begaan.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
begaan , begòn , 1. begaan; 2. in begòn zén mi: medelijden hebben met , Lòt ’m mèr begòn. Laat hem zijn gang maar gaan.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal