elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bezuinigen

bezuinigen , bezunigen , zwak werkwoord, overgankelijk , bezuinigen In dizze dure tied bezunigt een elk wal wat (Pdh), Wie zellen ons wel bezunigen mouten, nou alles duurder wordt (Vtm), Hie wet niet, hoe e ʼt bezunigen möt rond moet komen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bezuinigen , bezuunegn , bezuinigen. Waor mudde wie nog op bezuunegn?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bezuinigen , bezunigen , werkwoord , bezuinigen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bezuinigen , bezûinige , werkwoord , bezûinigde, bezûinig , bezuinigen , VB: Wie 't noé get mênder gèit zal v'r op de vekaansies môtte bezûinige
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bezuinigen , [beperken van uitgaven] , bezunigen , (werkwoord) , bezunigen, bezunigd , bezuinigen. Dit jöör gaon ze öördig bezunigen op de dieselöllie.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal