elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: biertje

biertje , biertje , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zekere maat voor melk. Thans in onbruik. Het woord is echter nog aan oude mensen bekend. || 24 Biertjes koemelk in de Maymaand geven 6 pond wrongel als de kaas uyt de pers komt, en 14 biertjes schapemelk geven zo veel wrongel als 24 bier koe-melk; 2 halve stuyvers koppen doen één biertje, Advers. Oostwoud, f° 878. – In de 17de e. is een biertje een maat of een kan bier. || Waard, wat is hier verteert? – De Man ses biertjes. – Wel daar is achtien stuyvers, N.-Holl. Rustenburg 18. In de Amsterdamse kluchten komt het woord in deze zin herhaaldelijk voor. Vgl. BREDERO, Klucht v. d. Koe vs. 120 noot, 181, 222, en OUDEMANS, Wdb. op Bredero 54.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
biertje , biertien , zelfstandig naamwoord , et; biertje, glaasje bier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
biertje , bierke , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , biertje; uitdrukking -  klèèn bierke - klein gedoe, schriele houding; korte ie; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): Spr. 'Dat is geen klein bier'- dat is geen kleinigheid, dat is de moeite weerd.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal