elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: biggensnijder

biggensnijder , biggesnaaier , zelfstandig naamwoord de , Biggensnijder, vakman of beunhaas die biggen of andere jonge dieren lubt of castreert.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
biggensnijder , biggensnieder , biggesnieder , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook biggesnieder (Kop van Drenthe) = persoon, die de biggen castreert, z. ook giltensnieder
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
biggensnijder , biggesnieder , zelfstandig naamwoord , de; degene die biggen castreert, biggensnijder
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal