elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijenpijp

bijenpijp , béjjepie:p , pijp die de imker aan heeft als hij in de korf of kast werkt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bijenpijp , bi’jepiepe , bi’jepupe , zelfstandig naamwoord , de; imkerpijp
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal