elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijhalen

bijhalen , bijhalen , zwak, sterk werkwoord, overgankelijk , 1. bijhalen Eerst het iene bien aover het stikkeldraod ... en dan het aandere bien bijhalen (po), Wij mut het koren even bijhalen, bij de dörskaste er naar toehalen (Zdw) 2. binnenhalen ’t Zaod is wal dreuge, laow ’t mor bijhalen (Ndo), Wil ie is even een maande torf bijhalen? (Pes) 3. naar zich toe trekken (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) Haalt oen bienen ies wat bij, ik kan der niet langes (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bijhalen , bèhaole , bijhalen , Duu gin moete, d’r sti al zat óp tôffel, ge moet niks mér bèhaole. Doe geen moeite, er staat al genoeg op tafel, je moet niets meer bijhalen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bijhalen , bi’jhaelen , werkwoord , 1. extra aan voorraad halen, naar binnen brengen van voorraad 2. halen om te helpen, bijv. buren bi’jhaelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal