elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijliggen

bijliggen , bijliggen , sterk werkwoord, onpersoonlijk , 1. zich vaag herinneren ’t Ligt mie nog wel bie dat mien grootmoe nog zo’n kepokhoudje op haar (Vtm), ... dat ik veurige weke ook al zo’n stok in de kraante elèzen hebbe (Mep), Daor lig mij nog vaag iets van bij (Noo), ... mij niks van bij (Sle) 2. een vaag voorgevoel hebben ’t Hef mie de hiele dag al bielegen dat we visite kregen (Bov), Het lag mij bij dat het gebeuren zul (Zwe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bijliggen , bi’jliggen , werkwoord , 1. voor de geest staan, in grote lijnen nog weten 2. een voorgevoel hebben 3. in Et lag ’m al zo bi’j hij voelde zich al niet zo goed
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal