elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijrijder

bijrijder , bi’jrieder , zelfstandig naamwoord , de 1. bijrijder 2. degene die met het bi’jrieden is belast
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bijrijder , [passagier naast de bestuurder] , bi’jriejer , bi’jrieder , (zelfstandig naamwoord) , bijrijder.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal