elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijschikken

bijschikken , [dichter bij iets gaan zitten of staan] , bijschikken , zich nevens de aangezetenen aan den disch plaatsen, Gron. bieschikken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bijschikken , bieschikken , aanschikken, zich nevens de reeds aanzittenden aan den disch plaatsen: “as onze knecht ’n beetje loater in huus kwam mog ’e nijt meer bieschikken”; schik moar bie de toavel = verschuif uwen stoel tot bij de tafel. Drentsch bijschikken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bijschikken , bijschikken , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. bij aan tafel gaan Schik mor bij, der is nog wal ruumte (Zwe) 2. dichterbij komen Het was dunkt mij beter daj wat bijschikden; ij zit noou ja zo wied vort (Eex) 3. opzij gaan Je moet wat bijschikken, aans kan ik er niet tussen (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bijschikken , bi’jschikken , werkwoord , bijschuiven, bijschikken: aan tafel, vooral om mee te eten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal