elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijschuur

bijschuur , bieschuur , in geschrifte bijschuur = kleinere schuur naast de schuur eener boerderij gebouwd. Annonce: Te verkoopen, “eene kapitale boeren behuizing en schuur, met bijschuur, stookhut”, enz. (1877).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bijschuur , bijschuur , de , aangebouwde schuur, maar ook een losstaande schuur Een bijschuur is een stuk bij een schuur an veur het opbargen van törf, wagens, boerengerak etc. (Oos), De bijschure was een kleine schuur veur zödden, törf en rommel (Hijk), De bieschure was de schure, dei lös van het huus ston. Der zaten vai, graon, törf en geraidschoppen in (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bijschuur , bi’jschure , zelfstandig naamwoord , de; schuur los van de boerderij, soms daar ook aan vast gebouwd, om hooi en/of stro in op te bergen, om vee in te hebben en/of om machines, gereedschappen of werktuigen in onder te brengen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal