elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijsmaak

bijsmaak , biesjmaak , mannelijk , biesjmaake , biesjmaekske , bijsmaak.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bijsmaak , biesmaek , bijsmaak.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bijsmaak , bi’jsmaek , zelfstandig naamwoord , de; bijsmaak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bijsmaak , [bijsmaak] , biesmaak , (mannelijk) , bijsmaak
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bijsmaak , beejsmaak , bijsmaak
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal