elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijspijkeren

bijspijkeren , bijspiekern , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. bijspijkeren Die neie woning vuul niet met, wij mussen er nogal wat an bijspiekern (Sle) 2. bijwerken Ons Jan het een schoffie zeik west. Meester het hom weer wat baispiekerd (Row) 3. op krachten komen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Aj ziek ewest bint muj eerst weer wat bijspiekern (Hgv) 4. bijleggen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe) Ze wil graag een neie fietse hebben. Daor mow nog mar even wat bijspiekern geld bijdoen (Hav), Zulden ze het weer een beetien bijspiekerd hebben? de ruzie bijgelegd (Koe) 5. bijhouden (Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat kan ik allemaole niet bijspiekern (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bijspijkeren , bi’jspiekeren , werkwoord , 1. door spijkeren vastmaken, herstellen 2. goed onderwijzen om een achterstand in te halen, om gebrek aan kennis op te heffen 3. z’n kennis vermeerderen, z’n leerachterstand inhalen 4. bijleggen van ruzie 5. alsnog betalen, erbij betalen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bijspijkeren , bi’jspiekeren , (werkwoord) , spiekeren bi’j, bi’jespiekerd , bijspijkeren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal