elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijspul

bijspul , biespul , toespijs, bijschotel van groenten, appelmoes, enz., zooveel als nagerecht, ofschoon het juist niet tot het laatst gespaard wordt. Zoo worden bv. aardappelen met vleesch en rijst of rijstenbrij na elkander, maar met roode kool wordt het gelijkelijk gegeten. Overijselsch bijspullechies = toespijzen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bijspul , bijspul , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Bij boeren. Bijzaak. Benaming voor al hun produkten, behalve boter en kaas (die voor hen hoofdzaak zijn), dus: aanfok van vee voor verkoop, afzet van vee in het najaar, het houden van zeugen voor aanfok van biggen, het vetmaken van varkens voor de markt, het mesten van kalveren enz. || Skêpen dat is maar bijspul. Spijtig dat de kees zo'n bietje geldt en de bijspullen ook.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bijspul , baispul , zelfstandig naamwoord ’t , Bijgerecht, groente. Vgl. Fries byspul.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bijspul , bi’jspul , zie bi’jkook
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bijspul , bi’jspul , zelfstandig naamwoord , de; bijspijs, vooral: groente bij het eten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bijspul , bijspul , zelfstandig naamwoord , bijspulle , bijspullechie , groente bij het middagmaal
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal