elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijterig

bijterig , bietêrg , (bijterig), zegt men van erwten die door insecten verbeten zijn; de arten bin bietêrg van’t joar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bijterig , bieterig , bijtlustig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bijterig , bieterig , bijvoeglijk naamwoord , 1. bijtlustig De muggen bint vandage arg bieterig, der kan wel ies onweer komen (Bro) 2. bijtend Bleeikwaoter is slim bieterig (Eex) 3. wormstekig (Noord-Drenthe) De aarten binnen bieterig (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bijterig , bieterig , bijterig (van een paard)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bijterig , bieterig , bijvoeglijk naamwoord , 1. geneigd tot bijten (met de mond, bek) 2. (van stoffen) met een bijtend, stekend effect 3. geneigd scherp, geprikkeld, snauwerig te reageren 4. vasthoudend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal