elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: binder

binder , binger , persoon die achter de maaier werkt om de garven te vormen en te binden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
binder , binder , biender , binders , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook biender (Zuidwest-Drenthe) = 1. persoon, die de schoven bindt. Kan zowel man als vrouw aanduiden Bai het roggemaaien haj een maaier, een weller en een binder (Row), De biender bun twee zenden an bond het gemaaide van twee maaiers (Dwi) 2. machine, die koren maait en bindt Zij hebt aal ogenblikken de binder weer stukkend (Bov) 3. halster van het paard (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij brengt het pèerd an de biender naor het laand (Uff)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
binder , biender , biener , zelfstandig naamwoord , de 1. boekbinder 2. de man of jongen die de door de weller samengepakte bundels graan tot garven bindt 3. (paarden)halster
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
binder , binger , zelfstandig naamwoord , bingers , bingertie , binder, vlasopbinder De bingers binne d’r uitgereegend De vlasopbinders moesten stoppen met werken vanwege de regen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal