elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: binnendeur

binnendeur , binnendeur , de , binnendeur De binnendeuren moeten allemaol vaarfd worden (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
binnendeur , binderdeure , binnedeure, binnendeure, binnerdeure , zelfstandig naamwoord , de; binnendeur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
binnendeur , binnendeure , (zelfstandig naamwoord) , binnendeur.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
binnendeur , biennedeure , binnendeuren , ’n biennedeur draajd’altij naor bienne ope = een binnendeur draait altijd naar binnen open-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal