elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: binnenvetter

binnenvetter , binnenvetter , mannelijk , iemand die meevalt
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
binnenvetter , binnenvetter , zelfstandig naamwoord de , Slachtdier dat meer binnenvet heeft dan men vermoedde. Zegswijze ’n (stille) binnenvetter. 1. Iemand die zwaarder is dan hij toont. 2. Iemand die rijker is dan men vermoedt. 3. Iemand die meer in zijn mars heeft dan men vermoedt. 4. Iemand die zijn gevoelens niet uit.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
binnenvetter , binnevètter , zelfstandig naamwoord , binnenvetter. Niet alleen een varken dat meer “binnenvet” heeft dan men verwachtte, maar ook iemand die zich niet gemakkelijk bloot geeft. Hij lot z’n eige nie in z’ne binnezak kèèke. Ge kèkt ’ne Kèmpense mins wèl op z’ne kop mar nie in z’ne krop. Hij laat het achterste van zijn tong niet zien.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
binnenvetter , binnenvetter , de , 1. mens of dier met veel binnenvet Het gewicht, dat vaalt mij nog met, zeker een binnenvetter (Vri) 2. introvert persoon Hij lat niks blieken, het is een binnenvetter (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
binnenvetter , binnenvetter , binnevetter , zelfstandig naamwoord , de; binnenvetter, sterk in zichzelf gekeerde persoon, introvert iemand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
binnenvetter , bènnevètter , (mannelijk) , binnenvetter
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal