elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bint

bint , [hoeveelheid garen] , bint , (onzijdig) , binde , honderd el garen, dat van den haspel komt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bint , bint , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zie achterbint, voorbint, wagenbint.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bint , beent , bint
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bint , binten , 1. zware opstaande stukken rondhout in de schuur. 2. zie achterbint
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bint , bint , zelfstandig naamwoord ’t , Het touw waarmee het voer (vooral het hooi) voor en achter op de wagen wordt vastgesjord. Zie ook vóórbint en achterbint.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bint , bin , de , (Kop van Drenthe) = achtertouw bij oogstwagen, z. ook bij achterbin
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bint , biente , zelfstandig naamwoord , et; deel van twee stijlen tegenover elkaar met het bijbehorende balkwerk van een klokkenstoel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal