elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blaarkoe

blaarkoe , [soort koe] , blaorkoo , blaordekoo , koe met witten kop. Sprw. Aste bie blaorkoo anzeelt staeist must ’r bie staon = wie van een ander afhangt kan hem niet tegenwerken, al strijdt het ook met zijn eigen belang. Gron. bloarde kou = zwartbonte koe met zwarte kringen om de oogen. Oudt. blaerkoe = zwarte koe met wit voorhoofd. Overijs. bleure, bloare, NBrab. blaer = koe met een bles voor den kop; Oostfr. blär, bläärt, blaar; – Neders. bleerke = eene roode koe met bont voorhoofd. – ONederl. en MNederl. blaer = naakt, kaal.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
blaarkoe , blaarkoei , zelfstandig naamwoord , zie *blaarkop
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
blaarkoe , blaorekoe , zelfstandig naamwoord , de; blaarkoe
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal