elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bladder

bladder , [tong] , bladder , (vrouwelijk) , tong. [In scherts.] Oudholl. blader, voor blad. [Bladeren, contr.] blaren, vagire, mugire.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
bladder , bladder , (vrouwelijk) , kleine blaasjes op de huid, zweertjes.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bladder , blaster , de , blasters , 1. schilfer Dat aole gimmeleerde pannegie, daor bint zoveul blasters of, dat kuj non wal wegdoen (Sti), Hij hef een blaster in de haand (Ros) 2. verfblaas Ik heb aordig blasters op de deure (Dwi), zie ook blaor
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bladder , bladder , de , bladders , 1. bladder De deur zit vol bladders, die kuj beter vanneis varven (Zwe) 2. blaar (Zuidoost-Drents veengebied) Dat ongewone wark mit de harke, door kriej bladders van in de handen (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bladder , blaster , zelfstandig naamwoord , de 1. sneeuw die onder iemands klompen blijft hangen 2. schilfer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal